Theodore Roosevelt heeft eens gezegd:”het is erg om te falen, maar het is erger om het nooit te hebben geprobeerd”. Soms, wanneer het moeilijk is in het leven, is men geneigd toe te geven of op te geven. Het is beter hard te werken om je doel te bereiken.
Toen ik klein was realiseerde mijn moeder zich dat er wat aan de hand was. Ik sprak niet en ik reageerde niet op geluiden. Ze ging met me naar allerlei dokters, audiologen en spraakleraren. Die zeiden allemaal tegen haar dat ik een concentratiestoornis had en dat ze zich zorgen maakte om niets. Er gingen maanden voorbij en er trad geen verbetering in. Nog meer tests, en weer werd er gezegd dat er niets aan de hand was. Maar mijn moeder gaf niet op. Ze liet me testen door een schoolarts. Toen werd haar verteld dat ik gehoorgestoord was. Ze ging terug naar de ziekenhuizen waar we al eerden waren geweest en die waren het heel snel met de diagnose eens. Ze zeiden dat ik nooit zou kunnen functioneren in een normale wereld en dat ik nooit zou praten.
Mijn moeder was geschokt, niet alleen omdat ik gehoorgestoord was maar dat men er pas achter kwam toen ik drie jaar was. De dokters begonnen te praten over hoorapparaten, dovenscholen en gebarentaal. Jarenlang nam mijn moeder me mee naar spraakleraren, zodat ik kon leren spreken. Ze was vastbesloten om te bewijzen dat iedereen ongelijk had.
Niet lang daarna ging ik naar school. Vooral het eerste jaar was dat met dove kinderen en gebarentaal. Ik leerde geen taal en was niet in contact met kinderen die spraken. Mijn moeder was bereid om alles te doen ook al betekende dat verhuizen naar een gemeenschap voor doven. Maar ze geloofde in me en mijn familie geloofde nog steeds dat ik de hindernis van gehoorgestoord zijn zou kunnen overwinnen. Vrienden stuurden boeken en bandjes om me te helpen met leren en mijn familie begon gebarentaal te leren.
Voordat ik het wist was ik met mijn 2e jaar bezig. Mijn moeder deed mij in een klas waar taal op een laag pitje stond en de medeleerlingen spraken en waren niet doof. Het schoolsysteem was het er niet mee eens want dan zou er geen geld binnenkomen voor een klasje met doven. Er werd zelfs gedreigd met een wettelijke actie, maar mijn moeder gaf daar niet veel om. Ik ging een halve dag naar de klas waar de taal niet zo belangrijk was en de andere helft zat ik in een gewone klas. Dat ging goed! Ik vond het heerlijk daar want niemand vond het erg dat ik anders was en niemand merkte het verschil.
Toen ik een stapje hoger ging en allemaal nieuwe leerlingen ontmoette was dat een hele ervaring. Ik had moeite om met de kinderen om te gaan. Ik was niet bepaald een sociaal iemand. De eerste dagen waren moeilijk en ik ging naar huis en huilde. Ik was anders want de kinderen vroegen over mijn hoorapparaten en ik moest daar vragen over beantwoorden. Dit was het begin van hoe ik mijn doofheid kon accepteren. Gelukkig schoot mijn oudere broer te hulp. Hij kon goed met iedereen omgaan. Hij leerde me hoe ik me moest voorstellen en hoe een gesprek gaande te houden. Na de volgende schooldag kon het niet meer stuk.
Maar dat was niet het enige probleem waarmee ik te kampen had. Er werd altijd gevraagd wat die “dingen” in mijn oren waren en dan werd het niet begrepen of er was verder geen interesse. Het leek wel of men er op uit was om me te laten merken dat ik anders was. Vanaf toen ik klein was leek het wel of de wereld tegen me was en dat het vechten tegen de bierkaai was. Nu ik ouder ben realiseer ik me dat men vroeg naar die “dingen” in mij oren om mij te begrijpen en wat ik doormaakte en niet om me belachelijk te maken.
Toen ik jonger was was ik ontzettend zelfbewust, omdat ik dacht dat iedereen naar mijn oren keek. Ik vond het erg om mijn oren te laten zien en ik deed van alles om ze te verbergen. Ik droeg mijn haar altijd lang en ik had zelden een paardestaart, tenzij mijn haar niet wou.
Mijn gehoor was niet het enige dat anders was met mij. Ik was lang voor mijn leeftijd en pas op de middelbare school ontmoette ik meisjes van mijn lengte. Ik was de enige in de klas met rood haar. Ik hou van mijn haar, maar soms vond ik dat ik er te veel mee opviel. Als ik bruin haar had gehad dat viel ik niet zo op. Na enige tijd begon ik eindelijk te bevatten dat anders zijn eigenlijk helemaal niet zo erg was.
Af en toe, toen ik jonger was, was ik wat verward over waar ik stond in de wereld, in het bijzonder in moeilijke tijden en dan vroeg ik me af :”waarom ik?”
Waarom heb ik moeilijkheden met horen, waarom was ik “uitverkoren?” Terugkijkend realiseer ik me wat een bofkont ik was om hier overheen te komen. Na het nemen van al die horden kan ik het leven beter begrijpen. Ik kan me veel beter aanpassen.
Nu ik zestien ben kan ik echt wel zeggen dat opvallen een groot voordeel is. Mijn vriendinnen accepteren me zoals ik ben en doof zijn valt niet eens op. Soms vergeten ze gewoon dat ik doof ben en dat is een goed teken. Er wordt nog wel eens gevraagd naar mijn hoorapparaten maar ik heb mijn antwoord klaar. Maar, nogmaals, het duurde een lange tijd voordat ik met mezelf in het reine was.
Sommige mensen zeggen dat ik een succesverhaal ben, maar daar ben ik het niet mee eens. Dankzij mijn familie, en in het bijzonder mijn moeder, was mij dit niet gelukt. Ik realiseer me dat ik nog veel problemen zal tegenkomen naarmate ik ouder word, maar dat haalt het niet met wat ik al heb overmeesterd. Een van de dingen die ik graag zeg is dat het doofzijn is een deel van mijn leven, maar het beheerst mijn leven niet. Je eenzaam voelen is een afschuwelijke belevenis en ik zeg iedereen die denkt dat niemand dit begrijpt, dat ik het wel degelijk begrijp.
In het Nederlands vertaald door Willy van Ooij